Zeer creatieve geest die zijn talenten op diverse terreinen heeft ingezet. Schilder, linosnijder, dichter, kunstcriticus, animator van de modernistische architectuur en poëzie. Opleiding aan de Academie van Brussel (C. Montald) tijdens WO I. Hij sluit er vriendschap met V. Servranckx, V. Bourgeois, K. Maas en met R. Magritte met wie hij het atelier deelt. Zijn stijl weifelt op dat ogenblik tussen fauvisme, kubisme en futurisme. Heeft contact met de modernistische kunstmiddens in Brussel en Antwerpen. Tijdens zijn verblijf in Parijs vanaf 1920 zet hij zijn kubistische experimenten verder en nadert de wereld van de abstractie. Na zijn terugkeer herneemt hij de vroegere contacten met zijn avant-gardevrienden en publiceert in ça ira (Antwerpen). Richt met de gebroeders V. en P. Bourgeois het modernistisch en multi-artistiek tijdschrift 7 Arts op (1922), spreekbuis van de abstracte kunst en van de onderwerping ervan aan de decoratieve en functionele eisen van de architectuur. Richt samen met J.-J. Gailliard L'Assaut op, met de bedoeling de theaterwereld te vernieuwen. Langzaam aan keert hij zich van de abstracte kunst af om terug te keren naar de figuratie. Vanuit een humanistische drang wordt hij medewerker aan Le Monde van H. Barbusse. Gedurende enkele jaren wordt zijn schilderwerk beheerst door taferelen rond de kruisiging, werken die moeilijk te duiden zijn. Zijn beeldentaal is ondertussen sterk expressionistisch geworden. In 1934 legt hij definitief de penselen neer en blijft uitsluitend nog actief als tekenaar en linograaf vooral van portretten. Met bezieling zet hij zich dan in voor de verdediging van de modernistische architectuur en poëzie. Hoofdredacteur van het tijdschrift Bâtir (1932-40), medestichter van Journal des Poètes (1930) en van de Biënnale van de poëzie (Knokke-Heist). Bekroond in 1937 door de Académie Picard voor zijn poëtisch werk. Werk in het bezit van de Staat en in de Musea van Brussel, Charleroi, Elsene, Oostende en Grenoble. |